Informatie over Roofvogels- en Uilen  

Jachtmethoden en prooiselectie

Zonder al teveel kennis te hebben van Roofvogels is zelfs al een redelijke voorstelling te maken van de jachttechnieken die deze fascinerende dieren hanteren.

De Eigenschappen van Roofvogels

Door simpelweg even naar de vormen van Roofvogels te kijken kan al veel duidelijk worden. Verder spelen andere factoren een grote rol. Sommige Roofvogels bedanken ervoor om een prooi uit de dekking te slaan, terwijl anderen doldriest te werk gaan en dwars door kreupelhout proberen te vliegen tijdens de achtervolging van hun prooien.

Verder zien we in natuurdocumentaires meestal dat de Roofvogel direct al bij de eerste aanval, succesvol een prooi weet te bemachtigen. In het echte leven is dit helaas niet het geval en zal de Roofvogel misschien maar een kans van 1 op 10 maken bij de poging een prooi te bemachtigen.

Bij de meeste Roofvogels is het vrouwtje aanzienlijk groter dan het mannetje (vaak zelfs met 1/3 verschil). Dit betekent dat het vrouwtje ook in staat is om grotere prooien te overrompelen. De mannetjes lijken door hun geringere grootte vaak wendbaarder, maar dit kan ook gezichtsbedrog zijn.

Het gereedschap van Prooidieren

Prooidieren weten als geen ander hoe ze aan hun vijanden kunnen ontkomen, maar moeten deze dan natuurlijk wel op tijd waarnemen. Ze kennen de individuele eigenschappen en (on)mogelijkheden van de Roofvogels die jacht op hen maken. Prooidieren hebben vaak sterk ontwikkelde zintuigen zoals o.a. een uitstekend gehoor om gevaar snel op te merken. Niets is overigens standaard.

De op deze pagina vermelde informatie is dus ook altijd snel achterhaald omdat Roofvogels en hun prooidieren flexibel zijn en altijd weer nieuwe mogelijkheden zullen beproeven om te overleven.

Alarm?

Allereerst zijn daar natuurlijk de alarmsignalen van de natuur zelf. Een Merel die alarm slaat, wordt ook door een Kraai of Duif opgemerkt, die daarop ook weer alert zullen zijn, want alarm wordt niet zomaar gegeven. Kortom;- de natuur geeft dit soort alarm signalen door.

Dekking?

Enorm belangrijk is de factor "Dekking". Onder dekking verstaan we de beschutting die een prooidier kan zoeken om daar veilig te schuilen voor (potentiële) aanvallen van Roofvogels.

De watervogel als prooidier:

Loop zelf maar eens langs een waterpartij met meerkoeten of (echte) wilde eenden die op het gras wandelden. De watervogels zullen snel naar het water vluchten. Het water is hun dekking. Een Roofvogel zal dan ook zelden een eend op het water aanvallen omdat ie weet dat ie dan vrijwel kansloos is, tenzij het natuurlijk een Roofvogel als de Zeearend betreft die eenden moeiteloos uit het water kan trekken. Maar dan nog dient het water als dekking voor de eend en zal deze onderduiken om aan de Arend te ontkomen.

Doe nu dezelfde vergelijking maar eens met een watervogel over land die ineens door een Roofvogel wordt verrast. Het zal duidelijk zijn dat de kansen op ontsnapping voor de watervogel dan aanzienlijk kleiner zijn.

Andere vogels als prooidier:

Kraaiachtigen zijn voor Roofvogels een vak apart. Niet alleen zijn ze enorm slim, maar ze zijn ook zeer sociaal en helpen altijd een makker in nood. De dekking voor de meeste kraaiachtigen kan uit vanalles bestaan, zolang het maar enige beschutting geeft. Een Kraai die op het platteland, waar geen enkele boom of struik staat, wordt aangevallen zal zelfs nog een geparkeerde auto als dekking benutten. Indien er wel enige vorm van begroeiing aanwezig is, zal dit direct door de Kraai worden gebruikt om daar de nodige dekking te zoeken. Roofvogels slaan hun prooien namelijk meestal niet uit bomen en struiken, tenzij het vogels van de accipiters-groep betreft zoals o.a. de Havik en Sperwer. Deze twee staan erom bekend dat haast geen enkel obstakel hun teveel is. Dit moeten ze soms dan ook helaas met de dood bekopen want een Sperwer die zich tegen een raam doodvliegt is geen uitzondering.

Duiven hebben ook een speciale tactiek en bestaat erui om vaak "doodstil" te blijven zitten op hun zitplaats. Ze lijken dan wel opgezet. Een bewegende vogel is voor een Roofvogel namelijk zeer aantrekkelijk, maar een vogel die stil blijft zitten wordt vaak niet opgemerkt en daar gokt de duif vaak (met succes) op. Roofvogels kennen deze tactiek overigens ook en vliegen vaak niet voor niets vlak langs boomkruinen etc. in de hoop dat een vogel het zo op z'n zenuwen krijgt dat ie uit de boom vlucht (en dan dus een gemakkelijke prooi wordt).

Grondvogels/Zoogdieren als prooidier:

Vogels die veel tijd fouragerend op de grond doorbrengen zoals hoenders, maar ook sommige zoogdieren zoals Hazen hebben vaak een eenvoudige tactiek om uit het zicht van Roofvogels te blijven. Deze tactiek bestaat feitelijk uit "niets doen". Ze drukken zich dan plat op de grond en blijven daar doodstil liggen. Alleen als het absoluut niet anders kan en het gevaar TE dicht is genaderd, zullen ze vluchten.

Op dat moment lopen ze dan ook het grootste gevaar.

Valken en hun Jachtmethodes:

Valken behoren tot de snelste dieren op aarde en zijn voornamelijk gespecialiseerde vogeljagers. Met name de Giervalk, Sakervalk en kleinere valken zoals de Torenvalk vormen hier een uitzondering op en "slaan" ook wel zoogdieren (grotere valken) of insecten- en muizen (kleinere valken).

De typische jachtmethode van de Torenvalk is door velen wel eens waargenomen waarbij deze ranke valkensoort haast stilstaand in de lucht op zoek is naar een geschikte prooi. Meestal zal deze prooi een muis zijn en het schijnt zelfs dat de Torenvalk het urinespoor van een muis kan 'zien" middels een soort van ultraviolet gezichtsvermogen.

Vrijwel alle soorten valken die vogels op hun hoofdmenu hebben staan zullen bij voorkeur hun prooien in de lucht slaan. Dit kan gebeuren door het luchtruim af te speuren vanaf grote hoogte waarbij de typische duikvlucht wordt uitgevoerd of door vanuit een dekking laag over de grond of over een sloot aan te vliegen en de prooi middels een verassingsaanval te overrompelen. Op snelheid zal deze prooi het dan afleggen dus moet het prooidier zien te ontkomen middels wendbaarheid of door dekking te vinden.

Met name de Slechtvalk is een grote luchtacrobaat die snelheden tot wel 180 km/u kan ontwikkelen. Voor de valk betekent dit natuurlijk wel dat er veel ruimte moet zijn met weinig obstakels. Een jagende Slechtvalk zult u dan ook nooit in een bos waarnemen, alhoewel jagende Slechtvalken in sommige steden al geen uitzondering meer vormen.

Als we kijken naar het vliegbeeld van een valk is hierbij opvallend dat de vleugelvorm vaak sikkelvormig is. Relatief lange en zeer slanke vleugels betekenen voor de Slechtvalk dat hij op de korte afstand niet zo snel kan sprinten zoals bijv. de Havik.

Dit heeft met luchtverplaatsing te maken. Een breed oppervlak geeft nu eenmaal veel meer weerstand. Een ander voorbeeld is de Torenvalk die toch weer bredere vleugels dan de Slechtvalk heeft en hier dan ook handig gebruik van maakt bij het "bidden" om op die manier haast stilstaand in de lucht een muis te vinden.

De prooidieren van Roofvogels kennen hun tegenstanders goed en houden dan ook altijd rekening met het zeer efficiënte gereedschap waarover hun natuurlijke vijanden kunnen beschikken.

Tijdens onze lezingen halen we vaak een voorbeeld aan met een Zwarte Kraai. Deze zal er doorgaans geen probleem van maken om naast een Slechtvalk te gaan zitten. De Slechtvalk is geen sprinter en kan op de korte afstand met zijn slanke vleugels vanaf stilstand doorgaans niet snel genoeg starten om de Kraai te vangen. Bovendien heeft de Kraai veel bredere vleugels en "sprint" dus ook sneller dan de valk.

In de lucht is de Slechtvalk echter een geduchte tegenstander die een Kraai er moeiteloos uit vliegt. Zo'n Kraai weet dit van nature en zal een Slechtvalk dan ook uit de weg gaan en snel dekking zoeken zodra deze boven hem verschijnt.

De dekking voor een Kraai kan uit vanalles bestaan, variërend van bomen en struiken tot aan gebouwen en zelfs onder geparkeerde auto's. De Kraai weet namelijk ook zeer goed dat de Slechtvalk geen prooien uit een boom slaat en al zeker niet onder stilstaande auto's zal gaan vliegen.

Postduiven hebben een andere tactiek. Die zullen doorgaans elkaar opzoeken en als een bal in de lucht "aan elkaar blijven plakken". Zodra de Slechtvalk er echter eentje weet af te zonderen, loopt deze duif groot gevaar. Deze tactiek van de Slechtvalk is vergelijkbaar met jachtluipaarden die op gazelles jagen.

Havikachtigen (Accipiters) en hun jachtmethodes

Deze soorten zijn het meest doldriest in hun aanvallen. Met name de Havik en Sperwer zijn specialist in de korte sprint en overrompelen hun prooien het liefst door ineens uit de dekking op te duiken. Hun lichaamsbouw en dan met name de relatief korte en brede vleugelvorm is hiervoor uitstekend geschikt.

Als één groep Roofvogels specialist in het verrassen is, zijn het de Roofvogels van de groep Accipiters. Meestal betreft het hier ook zeer schuwe en typische bewoners van gebieden waar veel bomen staan zoals bossen en parken.

De Sperwer (Accipiter Nisus) is een specialist in het bejagen van allerlei vogels tot maximaal de grootte van een Duif. De Havik beperkt zich niet alleen tot vogels en kan zelfs prooien ter grootte van een Haas aan. Plukplaatsen in het bos zijn vrijwel altijd van dit soort Roofvogels afkomstig. De Sperwer jaagt ook steeds meer in woonwijken en is hier met name s'winters als mensen de zangvogels in hun tuin bijvoeren, een regelmatige gast. Voor de Sperwer betekent dit bijvoeren van zangvogels feitelijk een verplaatsing van zijn snackbar naar de woonwijken dus trekt de Sperwer met zijn prooidieren mee de woonwijk in waarbij hij tussen de coniferen door, perfect zijn prooien kan bejagen. Een favoriete jachtmethode van de Sperwer is ook nog wel eens om van grote hoogte ineens omlaag te duiken en zich in een groep duiven te storten.

De Havik zal men niet snel jagend in woonwijken waarnemen en is een typische bosbewoner die door de argeloze wandelaar hooguit even in een flits zal kunnen worden waargenomen.

De Havik en Sperwer zijn ook de grootste schrik van duivenmelkers. Voor deze Roofvogels zijn duivenmelkers een lokale snackbar met een constante aanvoer van verse duivenkroketten en dofferfrikandellen. Een duiventil bouwen aan de bosrand staat dan ook gelijk aan het voeren van vogelzaad aan de zangvogeltjes in de achtertuin. Alleen zijn de duiven in zo'n geval het "vogelzaad" voor de Havik en Sperwer.